19-03-14

Recensie: Vloedgolf - Sonali Deraniyagala

Titel: Vloedgolf
Auteur: Sonali Deraniyagala
Genre: Waargebeurd
ISBN: 9789046815038
224 pagina's | Nieuw Amsterdam | december 2013

Sonali Deraniyagala:
Sonali Deraniyagala werd geboren in Colombo, op Sri Lanka. Ze studeerde economie in Cambridge en promoveerde in Oxford. Ze is verbonden aan de economische faculteit van de School of Oriental and African Studies van London University en als onderzoeker aan Columbia University in New York. Ze woont afwisselend in New York en Noord-Londen. 

Het verhaal: 
Op 26 december 2004 raast een tien meter hoge tsunami over Sri Lanka. Sonali Deraniyagala verliest haar ouders, haar man en haar twee zoontjes aan de vloedgolf, maar blijft zelf wonderwel gespaard. Dit boek opent met de beschrijving van de tsunami en maakt daarna de wanhoop voelbaar waaraan Deraniyagala ten prooi valt. Heeft haar verwoeste leven nog zin? Wat volgt is een persoonlijk, ontroerend en openhartig verhaal over Deraniyagalas peilloze leed en hoe ze daarmee om leert gaan. Deraniyagala vertelt haar verhaal onopgesmukt en onsentimenteel; in kale bewoordingen beschrijft ze haar verdriet, woede en schuldgevoel. Eerst verzet ze zich met alles wat ze in zich heeft tegen de werkelijkheid. Later krabbelt ze langzaam op en laat ze haar herinneringen geleidelijk aan terugkeren. 

Mijn mening:
Een indrukwekkend, aangrijpend en heftig verhaal, het verhaal van Sonali Deraniyagala. Op 26 december 2004 raast een tsunami over Sri Lanka. Sonali verliest haar 2 zoontjes, haar man en haar ouders bij deze natuurramp. Zelf kan ze zich ternauwernood aan een tak vastgrijpen en wordt gered. Hoe bouw je je leven weer op na het verlies van je dierbaren? Sonali schrijft hierover in haar boek Vloedgolf. Ze vertelt over haar ontreddering, wanhoop en woede, het verdriet, de pijn, haar rouw en het gemis van haar dierbaren. 

Sonali is met haar man Steve en hun twee zoons Vikram en Malli op vakantie in Yala, aan de kust van Sri Lanka. Ook haar ouders zijn hier op vakantie en verblijven in hetzelfde hotel. Op de ochtend van 26 december worden ze overvallen door het rijzende water. Samen met haar man Steve en haar kinderen probeert Sonali te vluchten in een jeep. De jeep komt echter in het water terecht, kantelt en alle inzittenden worden door het kolkende water meegesleurd. Sonali weet zich vast te grijpen aan een tak, wordt gered en naar het plaatselijke ziekenhuis gebracht. Naarmate de uren verstrijken dringt de onvoorstelbare waarheid tot haar door: ze is de enige overlevende. 

Sonali wordt opgevangen door haar familie in Colombo. Ze sluit zich op in haar kamer, verdooft zich met drank en medicijnen en probeert de herinneringen aan Steve en haar kinderen te blokkeren. 
„Hoe kan iets zo onbekends zoiets doen? Hoe kan het dat mijn gezin dood is? We waren toch in onze hotelkamer? Ik kan niet zonder ze leven. Ik kan het niet. Ik kan het niet. Waarom ben ik niet doodgegaan? Waarom heb ik me aan die tak vastgegrepen?”
„Ik besloot het huis niet te verlaten, nooit. Hoe kon ik naar buiten gaan? Buiten was waar ik met mijn jongens naartoe ging. Hoe kon ik lopen zonder ze vast te houden, elk aan één kant? Ik moet ophouden met herinneren. Ik moet ze van me loswrikken. Maar hoe?"
Na een half jaar durft ze de confrontatie met haar verleden aan. Ze gaat voor het eerst naar het huis in Colombo waar ze tijdelijk woonde met haar gezin. Ze bezoekt het massagraf waar haar zoontje Malli en haar man Steve zijn gevonden, en keert terug naar de plek waar ze het laatst samen waren, het verwoeste hotel.
"Hier, in dit verwoeste landschap, hoefde ik niet bang te zijn voor alledaagse kleinigheden die niet langer deel uitmaakten van ons leven. De winkel waar we warm brood kochten, een blauwe auto, basketbal. Mijn omgeving was even gehavend als ik. Hier hoorde ik thuis."
Na bijna vier jaar betreedt Sonali voor het eerst hun huis in Londen. Het lijkt alsof de tijd er heeft stilgestaan en ze gisteren nog samen in het huis aanwezig waren. Zo vindt ze de schoenen van de jongens met de gedroogde modder er nog aan bij de keukendeur, twee rode schooltassen hangend aan de deurkruk, de nog ingepakte kerstcadeautjes, een achtergebleven wimper op een hoofdkussen, een paar haren op hun bed.
„Eindelijk had ik het dus gedaan. Ik was voor het eerst ons huis binnengegaan nadat ik het op die avond begin december met Steve en de jongens had verlaten. Drie jaar en acht maanden geleden, bijna op de dag af. Een groot deel van die tijd kon ik alleen met angst en afgrijzen aan ons huis denken. In die eerste maanden, toen ik mezelf niet uit dat bed kreeg gehesen, wilde ik dat het verwoest was. Ik wilde dat alle sporen ervan werden uitgewist. Later moest ik zeker weten dat het er voor me was, bewaard in de staat waarin we het hadden verlaten. Maar dat bestaan was ook een marteling. Ik wilde er niet over praten. Ik rilde bij het idee het te zien. Ik kon niet terug. Eén blik naar binnen zou al genoeg zijn om me nog kapotter te maken dan ik al was. Het huis is voor het grootste deel zoals we het hebben achtergelaten. Hier ligt onze rommel, helemaal intact. Alles. Het duizelt me. Ik kan de stukken niet in elkaar passen. Ze zijn dood, mijn leven is verwoest, maar hier voelt het zoals het altijd heeft gevoeld. Ze konden tien minuten geleden naar buiten zijn gelopen. Dit huis heeft zijn ritme niet verloren, het hoeft geen nieuw leven te worden ingeblazen. In die afgelopen vier jaar leek ons leven hier vaak onwerkelijk, vluchtig en gekmakend ongrijpbaar. Maar nu komt het tevoorschijn en sijpelt het langzaam uit de muren bij me naar binnen.”
Probeerde ze eerder de herinneringen aan haar leven met Steve, Vikram en Malli te blokkeren, langzaamaan worden deze herinneringen juist een troost. Door deze herinneringen toe te laten haalt ze haar man en haar kinderen weer terug in haar leven. 
„In die vijf jaar ben ik zo bang geweest voor details. Hoe meer ik me herinner, des te moeilijker ik te troosten zal zijn, hield ik mezelf voor. Maar ik verzet me steeds vaker niet langer tegen mijn herinneringen. Ik wil herinneren. Ik wil weten. Misschien kan ik er nu beter tegen dat ik ontroostbaar ben. Misschien vermoed ik dat herinneren me niet ontroostbaarder maakt. Of minder ontroostbaar.”
„Doordat ik weer weet wie ze zijn, door snippers van ons leven te verzamelen, ben ik veel minder verscheurd. En ik ben ook veel minder verward. Hoe kan een zo groot deel van mijn leven niet eens van mij lijken? Ik herstel beter wanneer ik hun licht in me toe durf te laten." 
Het verlies en gemis is zo groot en bijna niet te dragen, maar door de jaren heen lukt het haar steeds beter om herinneringen aan hun leven samen toe te laten. Ook is er weer ruimte om de herinneringen aan haar ouders toe te laten. „Zes jaar lang duwde ik hen en hun dood naar de rand van mijn hart. Meer kon ik er niet bij hebben, mijn aandacht richtte zich op de jongens en op Steve. Wat afschuwelijk, dat mijn verdriet een pikorde kende.”

Sonali probeert een nieuw leven zonder haar dierbaren op te bouwen en aanvaart een baan aan een universiteit in New York, ver van het leven dat ze voorheen leidde. Ze weet een kwetsbaar evenwicht te vinden tussen haar nieuwe leven en de herinneringen aan haar leven samen met haar dierbaren. 

„New York heeft de afstand gecreëerd van waar ik bij mijn familie kan. Hiervandaan reis ik heen en weer naar Londen en Colombo en ontdek ik ons opnieuw. En wat ik aantref kan ik verwerken zonder telkens weer bang te hoeven zijn dat het botst met wat me maar al te vertrouwd voorkomt. Ik blijf steeds vaker in balans terwijl ik naar ons sta te kijken. En ik verwelkom het van harte, het is een kleine overwinning, het beurt me op.” 

„Zeven jaar later, en mijn gemis aan hen heeft zich uitgebreid. Zoals dat met ons leven in deze tijd het geval zou zijn, is het in omvang toegenomen. Dus is dit een nieuwe droefenis, denk ik. Want ik wil ze zoals ze nu zouden zijn. Ik wil deel uitmaken van ons leven. Zeven jaar later, en mijn verlies is gedistilleerd. Want het duizelt me niet langer, ik ben niet langer ten prooi aan hevige emoties. En ik ben bang. Is deze waarheid te heftig om te koesteren? Als ik me er te stevig aan vasthoud, bezwijk ik er dan onder? Soms weet ik het niet. Maar ik heb geleerd dat ik alleen herstel wanneer ik ze in de buurt houd. Neem ik te veel afstand tot hen, en tot mijn gemis, dan ga ik eraan onderdoor. Dan heb ik het gevoel dat ik per ongeluk in het leven van een onbekende verzeild ben geraakt.”

„Ik raak ook van mezelf vervreemd als ik niet open ben. Het is alsof ik in een getuigenbeschermingsprogramma ben beland, denk ik vaak over mijn leven in New York. Zo’n dekmantel had ik nodig toen ik nog verdoofd was. Maar nu is het anders. Ik vermoed dat ik, terwijl ik door deze wereld trek waarin mijn familie ontbreekt, me alleen staande kan houden als ik de werkelijkheid van hun bestaan erken, en van mijn eigen bestaan. Want ik ben evenzeer verstoken van hen als dat ik alleen ben. En wanneer ik die waarheid wegduw ben ik losgeslagen, stuurloos, onzeker over mijn identiteit. Wie ben ik nu?”

Vloedgolf: een verhaal welke mij raakt, diep raakt. Op een indringende, rauwe wijze schrijft Sonali over het verlies van haar dierbaren; haar ontreddering, de wanhoop, het verdriet, de pijn en het gemis. Maar Vloedgolf is ook een verhaal over de liefde, de liefde voor haar dierbaren. De lezer leert deze dierbaren kennen door de herinneringen welke Sonali in het tweede deel van haar boek beschrijft over haar leven samen met Steve, Vikram, Malli en haar ouders. Vloedgolf: een must-read, een aanrader!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten